Op de vlucht

Wanneer je 800 km wandelt voor je plezier, besef je hoe gelukkig je bent. Het is soms moeilijk om een vrije albergue te vinden maar nog nooit heb ik het gevoel gehad dat ik geen bed zou vinden. Toch moest ik soms denken aan Jozef en Maria die geen herberg vinden op 24 december en zich tevreden moesten stellen met een stal. Ik voel me niet op de vlucht. Ik word hier ook  niet als een vreemdeling aanzien. En toch zijn er nu mensen op de wereld die die zelfde afstand afleggen op zoek naar een beter leven. Staat onze deur voor hen open of is onze garage voor hen beschikbaar?  

Ik zelf ben een kleinzoon van een vluchteling. Mijn nicht Eveline Vanhaverbeke, de Wevelgemse schrijfster, schreef in december vorig jaar daar een mooie tekst over in haar blog http://evelinevanhaverbeke.be/het-geweten-op-de-vlucht/.

Maar omdat ik weet dat we meestal te lui zijn om op een link te klikken heb ik, Eveline, ik hoop dat je het niet erg vindt, deze tekst gekopieerd. Tijdens de wake voor het gemeentehuis in Kuurne de week voor Kerstmis werd door schepen Christ Delneste en de Burgemeester Francis Benoit ook stukken uit deze tekst voorgelezen. Het gaat dus over mijn grootvader, de vader van mijn vader.

Vele jaren geleden is mijn grootvader in vrede gestorven. Ik herinner me hem als een minzaam man, eeuwig gehuld in de scherp geurende rook van zijn onmisbare pijp. De rust die hij uitstraalde kende geen rimpel, geen opstoot van onrust of venijn. Hij leefde in harmonie met de wereld en met de mensen om hem heen. Een man aan wie het leven niet veel meer te leren had. Na een bestaan dat twee keer door oorlog verstoord was geraakt, had hij liefde gekend, vriendschap en geluk, maar zeker ook haat, geweld en verdriet.
Bij mijn grootouders op bezoek gaan had iets van een reis in de tijd. Het was met een katapult teruggeschoten worden naar de naoorlogse jaren waarin hun gewoontes en interieur verankerd waren gebleven. De gloeiendhete kachel verwarmde onze voeten op winterdagen, aan het gasfornuis roerde mijn grootmoeder in een kom pap, de wandklok tikte elke seconde hoorbaar weg en bovenop de kachel zong een fluitketel vrolijk zijn lied. Er hing een sfeer van berusting in huis. Twee mensen die door het leven op de proef waren gesteld en alle obstakels hadden overwonnen zonder daar enige fierheid over te voelen. Zo was het leven gegaan. Ze hadden geleefd wat geleefd moest worden. Ze hadden gedaan wat het leven van hen gevraagd had.
Ik herinner me hoe mijn grootvader in zijn vaste zetel zat naast de kachel, genietend van zijn pijp terwijl mijn grootmoeder zat te breien. Hoe er altijd een bord pannenkoeken klaar stond voor wie op bezoek kwam. Maar de meest gekoesterde momenten waren die waarop mijn grootvader ons oorlogsverhalen vertelde, gelabeld echt gebeurd. Met zijn stoel dicht bij de tafel geschoven, zijn handen in elkaar gevouwen op het tafelblad, deed hij keer op keer in alle rust hetzelfde verhaal. Het relaas van zijn leven in de Eerste Wereldoorlog, het verslag van zijn wedervaren in de Tweede. Met onze billen op het puntje van de zetel, een glas limonade in de hand, hoorden we hoe hij als kind van elf een eerste keer op de vlucht moest slaan, hoe zijn familie in Frankrijk aankwam met niets meer dan de kleren aan hun lijf, hoe zijn moeder er een longontsteking opliep en in een kruiwagen naar de dichtstbijzijnde apotheek werd gereden, waarna ze toch overleed. Zeven kleine kinderen bleven moederloos achter. Met zachte stem vertelde hij hoe hij als molenaar begin jaren veertig door de Duitsers gedwongen werd graan voor hen te malen, hoe hij in alle clandestiniteit ’s nachts graan maalde voor wie voedsel ontbeerde, hoe hij dat kosteloos ronddeelde aan wie honger had, met gevaar voor eigen leven. Hij vertelde de verhalen opnieuw en opnieuw. Niet omdat hij daar zelf op aandrong, maar omdat we het hem vroegen, hem er om gesmeekt zouden hebben als hij het niet meer had gewild. Want geen enkele fictie overtrof de werkelijkheid waar onze grootvader in geleefd had. Geen verhaal kon mooier zijn dan dat van hem.
Zijn leven had veel ontbering gekend. Er was achterdocht geweest en angst. En toch straalde hij tijdens het vertellen een bedaardheid uit die de jachtige mens van nu niet meer kent. Onrecht en ellende hadden hem vele kansen ontnomen. Maar hij was niet verbitterd, kende geen wrok of kwaadheid. Hij was gelaten. Want hij had niet alleen het gezicht van de vijand gezien. Hij had ook mededogen ontmoet, engelen van liefde. Als kind was hij tot vluchten gedwongen, maar vreemden hadden hem opgevangen. Hij was er welkom geweest. Onbekenden hadden hem en zijn familie warmte geschonken en daarmee de balans tussen goed en kwaad voor een stuk in evenwicht gehouden.
Het is daaraan dat ik denk wanneer ik het discours hoor dat sommige politici afsteken de laatste dagen en wanneer ik de tragedie aanschouw die duizenden mensen in Aleppo treft. Ik hoor mensen met een uitgestreken gezicht verkondigen dat we niet het OCMW van de hele wereld kunnen zijn, dat die ene iets te humane rechter niet weet wat er in de wereld echt aan de hand is, dat die Syriërs gerust daar kunnen blijven of, als het echt niet meer gaat, misschien nog naar Libanon kunnen trekken. Waar ze precies naartoe gaan of wat hen overkomt, het kan ons niet veel schelen. Zolang wij ze niet hoeven te voeden, hen geen onderdak hoeven te geven.
Elke dag zie ik de beelden in het journaal, de bloedstollende filmpjes die op het net circuleren, de burgers van Aleppo die door de hele wereld aan hun lot overgelaten worden. Ik ben boos, voel verontwaardiging, heb het gevoel dat ik er iets moet aan doen, weet dat ik dat niet kan en ervaar een eindeloze machteloosheid.
Een paar uur later ga ik slapen. Dan vlei ik mijn hoofd neer op mijn zalige kussen, laat mijn spieren tot rust komen op de geavanceerde matras die zich aanpast aan de vorm van mijn lichaam en trek ik mijn donsdeken zo heerlijk tot onder mijn kin terwijl mijn lijf zich opwarmt. Een luxe die ik intens blijf waarderen. En dan, elke avond weer, voor de slaap komt, zie ik hen voor me. Die vluchtelingen, zwalpend tussen twee werelden. Tussen de hel die ze achtergelaten hebben en de wereld die hen zou moeten wachten. Ik zie voor me hoe ze urenlang stappen, weg van het geweld, hun voeten vol blaren, hoe ze zich in het donker neerleggen op het koude en vochtige gras, hun hoofd op een bundel kleren, een dunne jas over hun lijf uitgespreid. Hoe ze uren later nog liggen te rillen.
En ik vraag me af op welke manier deze mensen het verhaal van hun grote oorlog aan hun kleinkinderen zullen vertellen. Of het vertrouwen in de goedheid van de mens nog overeind zal staan nadat iedereen hen in de steek liet. Zo vurig wens ik hen een bed toe zoals het mijne. Warm en zacht en vertrouwd. Een huis dat hen kan beschutten tegen regen en tegen kou. Een koelkast vol heerlijk voedsel. Een gevoel van veiligheid en rust. En vooral, ja toch vooral, wens ik hen twee armen toe die hen stevig omhelzen, een stem die zegt dat ze welkom zijn, dat we voor hen zullen zorgen zolang dat nodig is, dat de wereld aan hen denkt en met hen meeleeft en dat ze vertrouwen kunnen hebben in de toekomst. Alleen dan zal de verbittering niet toeslaan. Alleen dan hebben we onze plicht gedaan. Want we zijn inderdaad niet het OCMW van de hele wereld. We zijn mensen.


Dank Eveline Vanhaverbeke voor deze mooie tekst. Ik wou dat ik jouw talent had om mijn blog te schrijven maar in het leven kan je niet alles hebben. Ik ben gelukkig met wat ik kan en heb.

Ik trek nog enkele dagen verder maar ik weet dat ik volgende week weer mijn eigen bed heb en terecht kom bij mijn gezin.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s